Hoorndom

‘…maar gelukkig hebben wij Hoorne, het telraam van eenvoudige komaf’ (Dirk van Eylen, De Brakke Hond)

Philip Hoorne vraagt zich af waarom wij zijn zogenaamde recensie ‘dom’ vinden. We laten de man zichzelf eerst even introduceren. Op zijn website schrijft hij bv:
– ‘TV: ZIETA 26/11/2008 Ik was gisterenavond op WTV-Focus, de regionale tv van West-Vlaanderen. U kunt de uitzending hier nog eens bekijken.’
– Behalve één gedicht in de nieuwe en tevens voorlaatste Krakatau en zeven gedichten in Het Liegend Konijn prijken nu ook acht gedichten van mij in de jongste Poëziekrant.

Het prijken van deze gedichten in de Poëziekrant (en jaja: ook in HNF ) is jammer genoeg een maat voor niks. In de gedaante van Philip Hoorne hebben wij namelijk te maken met een flink uit de kluiten gewassen provinciale windmolen.

nice_one1Samen met de biobiblio die Hoorne op zijn website publiceert spreekt de erelijst op zijn blog namelijk boekdelen: ‘Eveneens in 2003 won hij de Literatuurprijs van de stad Aarschot. (Sorry, Aarschot).

Typisch voor dom is natuurlijk dat het van zichzelf niet weet dat het dom is. Dat moet dom dan telkens worden uitgelegd.

Zullen we dan maar een lijstje maken?

1) Dom ben je, dom, in ieder geval wanneer je referentiekader niet blijkt te overlappen met het referentiekader van het gelezene en wanneer je te ijdel bent om dat toe te geven (anders zou je gewoon onwetende zijn). Maar als eenvoudig telraam ben je gepromoveerd tot medewerker van wat ooit een gezaghebbend Vlaams (Groot-Nederlands?) weekblad was en dus is het moeilijk om toe te geven dat je kennis van je vakgebied redelijk beperkt is. Boerenwijsheid: ‘Het zijn sterke schouders die de weelde kunnen dragen.’ Managementlingo: ‘The Peter Principle is the principle that “In a Hierarchy Every Employee Tends to Rise to His Level of Incompetence.” Door zijn promotie tot telraam van Knack heeft Hoorne zijn niveau van incompetentie uiteindelijk / nu al bereikt. Bij uitstek blijkt dat uit het feit dat driekwart van zijn stuk is overgeschreven uit de inleiding van HNF. (Eigenlijk zouden we driekwart van Hoornes honorarium voor het stuk moeten opeisen.) Hoornes domheid situeert zich – uiteraard – in het overige kwartje. Die 250 gram bestaat uit hoofdzakelijk zure, rancuneuze opmerkingen, uit insinuaties die, omdat ze naast de kwestie zijn of logisch-argumentatief geen steek houden, inderdaad… dom zijn. Wat er van zijn recensie uiteindelijk overblijft, hebben we voor u verzameld in de bijdrage Topcriticus. De lectuur hiervan volstaat om te weten wat Hoorne écht bezighoudt.

Een voorbeeld? Een voorbeeld!

‘Voor het Vlaamse poëtische systeem, aldus de samenstellers, “een buitenland, net zoals Frankrijk, Amerika of India dat zijn”. Een boude, kortzichtige en zelfs gefrustreerde uitspraak, want Van Bastelaeres werks is bij onze noorderburen zo goed als onbekend.’

Laten we dit zinnetje een keer aandachtig lezen. Er bestaat volgens ons telraam namelijk een causaal verband tussen de uitspraak over Nederland als buitenland en de volgens ons telraam relatieve onbekendheid van Van Bastelaeres werk.
Afgezien van het feit dat Van Bastelaeres werk in Nederland even onbekend is als het werk van alle andere Vlaamse dichters die in Amsterdam uitgeven, de Jan Campert-prijs gewonnen hebben en twee keer voor de VSB-poëzieprijs genomineerd werden, mag het natuurlijk een heus wonder heten dat in iemands bekendheid de oorzaak kan liggen van de kwaliteiten van een uitspraak. Hij is onbekend DUS deze uitspraak is boud, kortzichtig en gefrustreerd. Deze logica is zo helder als het glas waarin iemand met een brandende uretra zijn blaas geledigd heeft. We moeten ons intussen wel afvragen of telramen een blaas hebben, die dan ook nog op geregelde tijdstippen moet geledigd worden…

2) Dom ben je wanneer je een boek gemaakt door drie auteurs als het boek van een auteur voorstelt. Een telraam, zelfs eentje van eenvoudige komaf, zou toch moeten kunnen tellen. Te kwader trouw ben je bovendien wanneer je vooraf de uitgever hebt gevraagd of dit boek alleen door Van Bastelaere werd samengesteld, waarop de uitgever antwoordde dat de drie samenstellers tientallen keren het Poëziecentrum hebben bezocht, daar met z’n drieën het concept hebben uitgewerkt, en een werkverdeling hebben afgesproken: Van Bastelaere (A-K), Jans (L-R), Peeters (S-Z), wat uiteindelijk heeft geleid tot een longlist van gedichten. De uitgever heeft je ook toegelicht hoe een eerste versie van de introductie door Patrick Peeters is aangeleverd. Bovendien citeer je een passage van Julian Barnes die door Erwin Jans is toegevoegd en toch… dom als je bent… denk je boven je essentie als telraam te kunnen uitstijgen door geen drie balletjes naar links op je draadje te schuiven, maar slechts een. Uit een zekere hang naar eenvoud insinueer je dat ‘het verleidelijk is om Hotel New Flandres te beschouwen als (DvB’s) persoonlijke bloemlezing – en zo zal ze in de toekomst wellicht ook worden genoemd: ‘de bloemlezing van Van Bastelaere’. Dom ben je omdat je in je pathologische fixatie op Van Bastelaere zegt dat het geen verschil uitmaakt dat er drie samenstellers waren ‘want de drie hebben een gelijklopende visie op poëzie’. Kun je misschien even uitleggen op welke punten deze visies gelijklopen? Kun je dààr misschien vier bladzijden aan wijden, bij voorkeur van eigen makelij? Kwade trouw, stemmingmakerij, leugens, rancune. “Het is verleidelijk…” en ja hoor: je wil recensent zijn, een belangrijk criticus worden, maar je bezwijkt voor de verleiding van de simplificatie en in eenvouds verlichte waters verzuipt het laatste greintje intelligentie dat je hebt en daar sta je dan: in de open vlakte van West-Vlaanderen als een sjofele, half ontmantelde windmolen, met een IQ als een geknakte wiek. Blootgesteld aan de genadeloze blik van al diegenen in letterenland die altijd al intelligenter waren dan jij, winnaar van de poëzieprijs van Aarschot.

3) Dom ben je wanneer je zegt dat ‘geen enkele andere samensteller’ (let op het enkelvoud) Willy Roggeman ‘een wegens te onbegrijpelijk nauwelijks gelezen dichter (…) naar voren (had) geschoven als de belangrijkste Vlaamse dichter – weliswaar ex aequo met drie anderen – van de voorbije zestig jaar.’ Roggeman staat nu al bekend als een van de belangrijkste Vlaamse auteurs van de hele twintigste eeuw. Hij heeft 77 ‘werken/opera’ op zijn naam staan en de publicatie van zijn ‘verzamelde gedichten’ 1953-2002 was een evenement zonder weerga in de Vlaamse poëzie,een gebeurtenis waarvan niemand op dit moment de impact kan inschatten. Een dichter die in een eerste fase van zijn werk zwaar door Roggeman werd beïnvloed is bijvoorbeeld Stefan Hertmans. Wie zijn brood verdient met recenseren, moet ook rekenen dat hij op zijn professionaliteit zal worden beoordeeld. Legitimatie kan worden verleend, maar ook onttrokken.

4) Dom ben je wanneer je de premissen van een discours niet eerst grondig toetst aan hun discursieve context. Zeker als je in voor een weekblad schrijft dat de laatste tijd vanwege dubieuze journalistieke praktijken geregeld een recht op antwoord moet publiceren. En kwalificatie van HFN als ‘etnocentrisch’ en een tussenkop als ‘Verboden voor Nederlanders’ zijn voorbeelden van ongefundeerde, niet gecontextualiseerde oordelen. .

5) Dom ben je wanneer je gewoonweg niet lezen kunt en dat niet door je dyslectische aanleg, maar gewoon omdat je intellectueel onvermogend bent. Wanneer je schrijft: ‘Had de opdrachtgever niet gevraagd om iets te maken wat representatief en literair-historisch verantwoord is? Heeft het trio die eis naast zich neergelegd?’, terwijl in de introductie letterlijk staat: ‘Dat we in dat opzet niet geslaagd zijn, staat nu al vast. Een literair-historisch verantwoorde bloemlezing zou een uitgesproken, zorgvuldig gearticuleerde en academisch verantwoorde visie op literatuurgeschiedenis vereisen. Die hebben we niet en die werken we in deze korte introductie ook niet uit.’ En twee pagina’s verder: ‘Zelfs als we dat hadden gewild, was het gewoon onmogelijk geweest een representatieve bloemlezing te maken. (…) Representatie legt altijd de duimen voor constructie. Alsof we dat niet wisten.’ Wij wisten het. Representativiteit is onmogelijk. We gaven het ook openlijk toe. We schreven dat de praktijk van het bloemlezen ons de contingentie van het bloemlezen opdrong. Jij, eenvoudig telraam, wist het ook, maar je begreep het niet. Of je wist het ook en deed alsof je het niet wist. Een telraam moet nu eenmaal tellen en niet doen alsof het lezen kan.

6) Dom ben je wanneer je niet beseft dat je eigenlijk handelt uit ressentiment en de ‘essentie’ van Hotel New Flandres probeert te herleiden tot een typo. De ‘kanibalen’ uit Entertenia. Het wezen van zestig jaar Vlaamse poëzie op niet-conventionele wijze bijeengebracht is een ontbrekende ‘n’. Daarmee geef je aan je positie als gezaghebbende criticus van een gezaghebbend weekblad waard te zijn. Aan de hoofdredacteur van je blad schreef Dirk van Bastelaere evenwel: ‘Ik heb me zelden of nooit met blogs en poëziewebsites beziggehouden, omdat je in een oogopslag boven die plekken een zwavelgele wolk van ressentiment ziet hangen, maar daar moet maar eens verandering in komen.’ En : ‘Terwijl de bloemlezing vanuit een sterk Nietzscheaans ‘Ja’ aan de Vlaamse poëzie is gemaakt, krijgen we van Hoorne, vanuit een ‘slavenmoraal’ een door intense haat tegenover dat sterke ‘ja’ ingegeven ‘nee’. Veel meer dan tellen doet de man uiteindelijk niet. Gelukkig hebben we maar maximum tien gedichten opgenomen, zodat hij daarvoor ook zijn vingertjes kan gebruiken.’ (29/11/2008)

Afgezien van het feit dat Philip Hoorne vooral sterk blijkt te zijn in tellen en spellen is zijn hele houding effectief ingegeven door wat Friedrich Nietzsche ‘ressentiment’ noemde. In Zur Genealogie der Moral schrijft Nietzsche: ‘Der Sklavenaufstand in der Moral beginnt damit, dass das Ressentiment selbst schöpferisch wird und Werte gebiert: das Ressentiment solcher Wesen, denen die eigentliche Reaktion, die der Tat, versagt is, die sich nur durch eine imaginäre Rache schadlos halten. Während alle vornehme Moral aus einem triumphierenden Ja-sagen zu sich selber herauswächst, sagt die Sklaven-Moral von vornherein Nein zu einem “Ausserhalb”, zu einem “Anders”, zu einem “Nicht-selbst”: und dies Nein ist ihre schöpferische Tat. Diese Umkehrung des werte-setzenden Blicks – diese notwendige Richtung nach aussen statt zurück auf sich selber – gehört eben zum Ressentiment: die Sklaven-Moral bedarf, um zu entstehn, immer zuerst einer Gegen- und Aussenwelt, sie bedarf, physiologisch gesprochen, äusserer Reize, um überhaupt zu agieren – ihre Aktion ist von Grund aus Reaktion.’ Eenvoudige ‘wikipedia’-toelichting hier. Veel zogenaamd ‘literair commentaar’ op het web heeft niets met lezen of literaire kritiek te maken omdat het ingegeven lijkt door ressentiment en in wezen reactionair is. Dat geldt ook voor Hoorne. Een hieraan gelijklopende analyse is te vinden in het stuk ‘Spelfoutargument als ultieme ressentimentskritiek’ van M.H. Benders.

Advertenties