‘Er is een Vlaams literair systeem en er is een Nederlands literair systeem’

Het ‘iets’ van de Vlaamse poëzie

Hieronder een stuk van Benno Barnard, zelfverklaarde adoptiefbelg, over de Vlaamse poëzie zoals hij die einde jaren tachtig percipieerde. De passage illustreert treffend hoe het Nederlandse uitsluitingsmechanisme werkt. Onder het mom een ‘Nederlands’ kwaliteitscriterium toe te passen op de manifeste kwantiteit van het Vlaamse aanbod wordt historisch significante poëzie (pink, Speliers, het post-experiment) weggecensureerd. Voor velen is Jan de Roek een van de revelaties van HNF. Literair en literairtheoretisch lag De Roek aan de basis van o.a. pink. Je kunt pink met andere woorden niet goed plaatsen zonder de rol van De Roek daarin te analyseren. Als Barnard de pink poets “talentloze knittelaars” noemt die de ‘werkelijke’ ‘talenten’ aan het gezicht onttrekken, dan heeft dat vooral te maken met zijn onwil of onvermogen pink te plaatsen in de literatuurgeschiedenis. Daar zal de visie op de Vlaamse poëzie van Barnards buddy De Coninck wel voor iets tussenzitten. Er mag sinds het verschijnen van dit stuk een en ander veranderd zijn, de passage blijft wel relevant voor een een deel van de periode die door HNF wordt gedocumenteerd. De vraag is natuurlijk in welke mate Barnards toenmalige kijk op de Vlaamse poëzie representatief was voor de kijk van andere Nederlandse critici (zie ook hieronder bij Van Deel en Peeters). Opvallend is wel dat pink en het postexperiment de grote lacunes zijn in de grote Nederlandse bloemlezingen.

Benno Barnard: “Vlaamse poëzie is poëzie die meestal veel te haastig, en in elk geval in veel te grote hoeveelheden wordt gepubliceerd. De meeste Vlaamse dichters lijden aan geatrofieerde zelfkritiek, de Vlaamse uitgeverszeef heeft mazen die zo grof zijn dat geen enkel gedicht niet gepubliceerd wordt, een Vlaamse dichtbundel wordt gemiddeld twee keer bekroond voor hij verschenen is en daarna nog twee keer, en de laatste poëziecriticus van de kwaliteitskrant De Standaard is in 1944 in de omgeving van Leningrad gesignaleerd.

eraserhead42Vlaanderen produceert bovendien dichters als een konijn jongen. Is dat het gevolg van een behoefte om de taalstrijd literair op te sieren? Of genuanceerder gezegd, vormen al die bundels privé-monumenten van halve dialectsprekers die willen demonstreren dat ze hele ABN-schrijvers zijn? De Nederlandse poëziecriticus Rob Schouten veronderstelde ooit zoiets, en misschien heeft hij gelijk. Misschien produceert Vlaanderen ook niet meer dichters dan Nederland of Litouwen, misschien publiceert Vlaanderen er alleen meer, – omdat er geen kritiek bestaat, geen begeleiding, geen toetssteen.

Als dat zo is, en dat denk ik, dan zijn er in Vlaanderen relatief evenveel goede dichters als in Nederland. Maar door de massaliteit van talentloze knittelaars worden de getalenteerden onzichtbaar en onhoorbaar: een door de pink poets gelegd rookgordijn van parfumwolken onttrekt hen aan het gezicht, het pseudo-wetenschappelijk burengerucht van Hedwig Speliers overstemt hen, en hun gedichten verdrinken in de syntactische buikloop van de post-experimentelen.

De getalenteerden kunnen soms bij Nederlandse uitgeverijen terecht, maar vaak ook ‘net niet’. Waarom ‘net niet’? Omdat er al zoveel Nederlandse dichters zijn. Omdat in de stroom talentloze Vlamingen die ene talentvolle Vlaming ook voor een Nederlandse redacteur onzichtbaar en onhoorbaar blijft. Omdat die Nederlandse redacteur door de overvloedig toestromende Vlaamse manuscripten een afkeer van àlle Vlaamse poëzie begint te krijgen: er zijn voorbeelden van.

Er is nog een andere reden: in de toon van die ene getalenteerde Vlaamse dichter blijft voor Hollandse oren altijd iets vreemds meeklinken. Ook als die dichter ABN schrijft en natuurlijk schrijft hij dat, blijft zijn Nederlands iets niet-algemeens houden. Dat is nauwelijks aantoonbaar, en het is ook niet zozeer een grammaticale of semantische kwestie. Het ‘iets’ dat heeft gemaakt dat Luuk Gruwez niet bij De Bezige Bij uitgeeft en wel bij Manteau, is niet zijn grammatica of zijn woordenschat. Het is niet zijn Nederlands als zodanig: voor een eindredacteur valt daar niet veel aan te corrigeren (en als hij ‘kabinet’ gebruikt waar hij ‘plee’ bedoelt, is dat een opzettelijk idiotisme in een gedicht over West-Vlaanderen). Dat ‘iets’ is dat Gruwez een gedachte (een gevoel, een impressie) uitdrukt op een wijze die mogelijk en toelaatbaar is, terwijl geen enkele Nederlander dezelfde gedachte ooit op die wijze uit zou drukken. Het is een verschijnsel dat verwant is met dat van de buitenlander die een vreemde taal volmaakt beheerst en desondanks als een buitenlander spreekt, omdat zijn conversatie een verkleedpartij blijft. Hij spreekt een vreemde taal, maar hij is een andere taal: zelfs als hij in die vreemde taal heeft leren denken, denkt hij nog op de wijze van zijn moedertaal.
Dit ‘iets’ is zoveel als een trompe l’oreille-effect: de Nederlandse redacteur leest een gedicht in zijn eigen taal, maar ergens daar doorheen hoort hij een gedicht in een heel andere taal – die niet eens bestaat en die hij daarom bij gebrek aan beter maar ‘Vlaams’ noemt.
‘De taal is gans het volk.’
Vlamingen hebben geen eigen taal.”

Benno Barnard, ‘De bonbonnière van de dood of het verschil tussen één taal’. In: Tijdverdrijf voor enkle fijne luiden. Over poëzie. Antwerpen: Dedalus, 1987, p. 112-113.

Interessant in deze paragraaf is vooral de alinea over het ‘iets’ dat de Vlaamse poëzie anders maakt dan de Nederlandse. Het mag duidelijk zijn dat we hier te maken hebben met een onpeilbaar Thing dat het Nederlandse ‘realiteitsprincipe’ ondermijnt. Lacan wees er namelijk al op dat in mijn buurman, de Vlaming, altijd al een traumatische, reële kern aanwezig is die hem tot een monsterlijke verschijning maakt. Monsterlijk omdat hij blijkens zijn enorme productiviteit op het vlak van de poëzie een geprivilegieerde toegang blijkt te hebben tot het object van mijn verlangen: de Nederlandse moedertaal. “De ander eigent zich ofwel de object-schat toe, nadat hij deze aan ons heeft ontrukt (…) of hij vormt een bedreiging voor ons bezit van het object,” zegt Zizek (1998:30).

Precies die bevoorrechte relatie tot het object van verlangen (Vlamingen winnen ook altijd het Groot Dictee) maakt de Vlaming en bij uitstek de Vlaamse dichter tot een ondoordringbare, enigmatische aanwezigheid, iets wat Barnard alleen maar kan verklaren door het Nederlands van de Vlaming als een vreemde taal af te schilderen, in die mate vreemd zelfs dat die Vlaming als spreker van het Nederlands het Nederlands tot een andere taal maakt en die dan ook nog als basis voor zijn identiteit inzet: “Hij spreekt een vreemde taal, maar hij is een andere taal”. Indirect wordt hiermee ook de diefstal, de ontvreemding van het Ding door de Vlamingen erkend: “Het is een verschijnsel dat verwant is met dat van de buitenlander die een vreemde taal volmaakt beheerst en desondanks als een buitenlander spreekt.”

Die ondoordringbaarheid van het Vlaams Nederlands wordt niet alleen zichtbaar in het massieve rode boek dat HNF is, ze leidt ook systematisch tot hysterische reacties: “the neighbour remains an inert impenetrable, enigmatic presence that hystericizes me.” (Zizek, 2006:43). Telkens als Nederlandstalige literatuur uit België als Vlaams wordt beschreven krijg je hysterische reacties omdat de buurman de taal die de Nederlander als de zijne beschouwt systematisch en structureel blijkt te ontvreemden. Niet alleen Barnard heeft ons in zijn recente blogpostings uitvoerig op zo’n hysterico-paranoïde schouwspel getrakteerd, ook Beurskens ging hijgerig op zoek naar spel- en taalfouten, al was het maar om ons duidelijk te maken dat het Vlaamse Nederlands in geen geval het echte, het correcte, het Ware Nederlands is. Ironisch genoeg bleek toen een probleem te ontstaan rond het meervoud van ‘einzelgänger’.

Wat willen die rare Vlamingen eigenlijk? “Che Vuoi?” vragen diegenen die de Nederlandse standaardtaal (en dus de Wet) vertegenwoordigen. Willen ze onze taal tot een andere maken? Hebben ze dat blijkens een boek als HNF de facto al gedaan? Vlaamse buren zijn hinderlijk omdat ze ons confronteren met het enigma van ons eigen verlangen. Een boek als HNF lijkt daarmee wel de dimensie te hebben aangenomen van het ‘objet petit a’, datgene in de Vlamingen wat meer is dan zijzelf en wat de begeerte van de Nederlanders veroorzaakt. (Later meer)

***

H. van Gorp in Lexicon van literaire termen

Polyssyteem(theorie)“Theorie die literatuur tracht te beschrijven vanuit semiotische schema’s, op grond van algemene wetmatigheden in communicatiesystemen. De term kreeg sinds de jaren ’70 bekendheid door het werk van enkele onderzoekers (o.a. I. Even-Zohar en G. Toury) van het Porter Institute te Tel Aviv. Volgens de polysysteemtheorie is literatuur een complex geheel van systemen (literatuuropvattingen, zowel op praktisch als op theoretisch niveau), die elkaar beïnvloeden en die steeds in nieuwe, wisselende relaties staan, in functie van de waardeschalen (normen*) en modellen* die in de gegeven omstandigheden domineren. Deze theorie trekt radicaal de conclusies uit de ideeën van Tynjanov, die in de jaren twintig herhaaldelijk schreef dat literatuur niet in termen van essenties moet bestudeerd worden, maar in termen van relaties. Het principe van dominerende normen en modellen geeft aan alle theoretische stellingen een relatieve, historische waarde, vermits de literatuurwetenschap de opdracht krijgt te onderzoeken volgens welke normen en modellen schrijvers, teksten en lezers functioneren. Deze theorie voert ook het principe van de historische receptie tot de uiterste consequentie: alle literatuur, alle literatuuropvattingen en literaire praktijken zijn historisch bepaald, of ze nu behoren tot de dominerende, dan wel tot de gedomineerde systemen. Het begrip systeem is een open, historisch te interpreteren concept; het wijst op het principe van een geordendheid van de literatuuropvattingen binnen een collectiviteit, zodat we systemen en subsystemen kunnen onderscheiden; de subsystemen delen bepaalde normen en modellen met ruimerere gehelen.”

Model 2. In de hedendaagse literatuurstudie wordt de term vaak gebruikt in samenhang met normen* en conventies*. Modellen zijn de ‘voorbeeldige’ realisaties of concretiseringen van welbepaalde normen en conventies; het zijn de exemplarische werken die de navolgers tot voorbeeld strekken. De Aeneis van Vergilius b.b. stond model voor het latere epos, en Clarissa van Richardson is het model dat de auteurs van briefromans in de 18de eeuw voor ogen stond.
Zie ook epigonenliteratuur*, imitiatio*, polysysteemtheorie*.”

Norm Concept uit de sociale wetenschappen dat o.m. in de taalkunde (E. Coseriu, sociolinguïstiek, stilistiek) en literatuurstudie van de laatste decennia met vrucht gehanteerd wordt. Een norm is een soort richtlijn die bepaald welk ‘gdrag’ in bepaalde omstandigheden – die ook andere gedragingen toelaten – als passend geldt en welk niet. Zo hebben conventies* en genre-voorschriften* in de literatuur een norm-karakter; men moet ze volgen om een ‘goed’ gedicht, toneelstuk enz. te schrijven. Normen bestrijken aldus het ruime en graduele gebied van de intersubjectiviteit, dat ligt tussen enerzijds de totale subjectieve vrijheid en anderzijds de objectieve, tot wet geworden regels en restricties. Volgens deze glijdende schaal kunnen gedragingen dus min of meer strikt genormeerd zijn: hoe hoger de intensiteit van de norm, hoe lager de tolerantie t.a.v. afwijkend gedrag. (…) De werkzaamheid van een literaire norm kan men vooral afleiden uit het significant vaker voorkomen bij verschillende auteurs, critici, lezers van zekere schrijf- of leeswijzen in situaties waar in principe heel andere literaire gedragingen best mogelijk waren geweest (beweging*, gemeenschappelijke literaire code*). De prijzende resp. afkeurende evaluatie in de kritiek* van conformerend resp. afwijkend gedrag is eveneens een indicatie van normering. (…) Uiteraard wordt het norm-concept vooral gehanteerd in het kader van dynamische en historische literatuuropvattingen zoals het Praag structuralisme* (J. Mukarovsky, F. Vodicka), het historisch receptie-onderzoek (H.R. Jauss), en meer recent de polyssyteemtheorie*. (…)”

***

Nil novi sub sole – Herman de Coninck en Hugo Brems: ‘De voornaamste bedoeling (van de bloemlezing De 100 beste gedichten van deze eeuw – Vlaanderen, nvdr) is enthousiasme over te brengen: kijk dit vinden wij mooi, probeert u eens of u het even mooi kunt vinden. Voor de Noordnederlandse lezer moet die boodschap misschien luiden: kijk, dit is wat wij in het dichtsbijzijnde buitenland mooi vinden, misschien wijkt dat een beetje af van de Hollandse smaak, maar verder buitenland wijkt nog veel meer af.’

***

Bert Vanheste: “Er is een Vlaams literair systeem en er is een Nederlands literair systeem. En die twee ontwikkelen zich in de laatste twee eeuwen (…) in hoge mate onafhankelijk van elkaar.” (Vanheste, 1996:229).

***

Ton Anbeek: “de literaire ontwikkelingen in Vlaanderen en Holland (sic) zijn in zo hoge mate onafhankelijk van elkaar, dat zij het beste afzonderlijk beschreven kunnen worden. Met andere woorden: het zijn twee verschillende verhalen. ” “Het Vlaamse verschil”. In: Dietsche Warande & Belfort, jrg. 141, nr. 2, april 1996, pp. 199-210.

***

Dirk van Bastelaere, Erwin Jans en Patrick Peeters in de inleiding op Hotel New Flandres: “Voor het Vlaamse poëtische systeem is Nederland een buitenland, net zoals Frankrijk, Amerika of India dat zijn. Wie in Vlaanderen debuteert zal zich dus in de eerste plaats op het Vlaamse systeem richten en niet op het Nederlandse of Groot-Nederlandse systeem. Vlaamse dichters kunnen nu eenmaal niet om grootheden als Claus, Pernath, Nolens of De Coninck heen. Wie in Vlaanderen debuteert moet tegenover hen positie kiezen. Wil je als dichter in Vlaanderen iets betekenen, dan moet je een standpunt innemen tegenover het in Vlaanderen dominante discours. Je als Vlaams dichter afzetten tegen de poëtica van Komrij, Kopland of Duinker heeft even weinig zin als je positioneren tegen Enzensberger of de Language-poets.

Natuurlijk is het buitenland belangrijk voor innovatie van het systeem: Mysjkin importeert Franse dichters, Nolens integreert de Franse filosofen en Van Bastelaere speelt leentje-buur bij Ashbery. Opvallend is wel dat Vlaamse dichters maar zelden naar het Nederlandse buitenland wordt gekeken voor innovatieve elementen. Het Vlaamse poëtische systeem heeft zich waarschijnlijk zelfs sterker vernieuwd door een dialoog met andere buitenlanden dan met Nederland.”

***

Geert Buelens in Van Ostaijen tot heden. Zijn invloed op de Vlaamse poëzie: ‘Ik sprak al enkele keren expliciet over de “Vlaamse” poëzie. In deze studie (Van Ostaijen tot heden, nvdr) wordt dus enkel de Vlaamse “nawerking” van Van Ostaijens poëticale ideeën onderzocht. Een praktische en een principiële reden noopte mij hiertoe. Die praktische reden kunt u onder meer afleiden uit de hoeveelheid papier die u in handen hebt. (…) De principiële zaak ligt veel ingewikkelder – het gaat hier om de Moeder van alle Historiografische Vragen in ons vakgebied: moeten de Nederlandse en Vlaamse literatuurgeschiedenis samen worden beschreven? Aangezien het kruim van de vakgenoten onder auspiciën van de Nederlandse Taalunie in 1997 besloten heeft ‘het’ wel degelijk samen te zullen doen (Bekkering & Gelderblom 1997), lijkt het me sowieso vijgen na Pasen om die discussie hier nog eens te hernemen. Anderzijds kan ik het moeilijk oneens zijn met Bert Vanhestes samenvatting van wat je in dezen de Anbeek-positie zou kunnen noemen: “Er is een Vlaams literair systeem en er is een Nederlands literair systeem. En die twee ontwikkelen zich in de laatste twee eeuwen (…) in hoge mate onafhankelijk van elkaar.” (Vanheste, 1996:229). Gevolg hiervan is dat een reconstructie van beide geschiedenissen ook verschillende verhalen zal opleveren. In de subplot die ik hier opzet – hoe werken Van Ostaijens ideeën over poëzie door in de Vlaamse poëticadebatten van het interbellum tot vandaag – spelen Nederlanders weliswaar af en toe belangrijke bijrollen (Dirk Coster als Stem-hoofd dat de jonge Vlamingen een discussieforum aanbiedt begin jaren twintig, mede-Avonturier Du Perron, groot promotor Gerrit Borgers…) maar meer ook niet. Het betreft hier dus auteurs die “in twee werelden tegelijk” leeften (Van den Akker & Dorleijn 1999:199) ze functioneerden zowel in het noordelijke als in het zuidelijke literaire circuit. Wanneer ze hier echter aan bod komen, wordt enkel hun “zuidelijke” rol ter sprake gebracht. Dit is een verhaal over Van de Woestijne en Minne (en niet: Kloos en Bloem), Gilliams en Herreman (en niet: Achterberg en Van Duinkerken), Walravens en Westerlinck (en niet: Rodenko en Aafjes), De Coninck en Hertmans (en niet: Kopland en Beurskens). Hier geldt wat grosso modo voor “alle” Vlaams-Nederlandse literatuurgeschiedenissen geldt: ze verlopen grotendeels parallel maar zijn niet identiek. Ook in Nederlands discussieert men over “moeilijke” en “toegankelijke” poëzie, maar daar is Van Ostaijen niet het centrale referentiepunt dat hij in Vlaanderen wel is. Cyrille Offermans en Oek de Jong verwijzen naar Van Ostaijen zoals ze Montaigne citeren of Adorno: als één van de vele kapstokken om een essay aan op te hangen. In Vlaanderen is het onmogelijk om Van Ostaijen ‘neutraal’ te gebruiken: zijn naam alleen al staat garant voor poëticale twist en commotie. In reconstructies van poëticale debatten staan in Vlaanderen ook heel andere episodes centraal dan in Nederland: het expressionismedebat (…) vertoont parallellen met, maar is allerminst gelijk te stellen aan de Vorm of Vent-discussie; de Vlaamse Vijftigers beroepen zich op het historische voorbeeld van het tijdschrift Ruimte, hun Nederlandse collega’s kennen dat blad niet eens en zoeken hun voorbeelden in het buitenland (alwaar ze zowaar Van Ostaijen aantreffen…) Wanneer onderzoekers de strijd tussen vernieuwers en traditionalisten beschrijven, geldt in Vlaanderen het conflict tussen Ruimte – ’t Fonteintje als oermodel; echo’s van dit conflict hoor je in discussies rond, bijvoorbeeld, Tijd en Mens (late jaren veertig – vroege jaren vijftig) en Yang (late jaren tachtig – vroege jaren negentig)…’

***

In 1981 organiseerde het tijdschrift De Vlaamse Gids een debat rond de vraag ‘Bestaat er een Vlaamse literatuur?’ Hugo Brems: ‘Het interessantst in dat opzicht waren de bijdragen van T.van Deel en Carel Peeters aan het debat. Van Deel begint zijn betoog met vast te stellen dat hij, bladerend in Literair Akkoord, een jaarlijkse bloemlezing uit de literaire tijdschriften van Noord en Zuid, “wel iets denkt” bij de Nederlandse namen die daarin voorkomen, maar weinig of niets bij die van Vlamingen , zoals “Wilfried Adams, Armand van Assche, Maris Bayar, L.M. van den Brande, Luuk Gruwez, Robin Hannelore, Hedwig Speliers, Miel Vanstreels.” Over de Nederlandse namen schrijft hij verder: “ze zijn allemaal op een voor mij onmiskenbare en onverwisselbare manier aanwezig in het landschap van de Nederlandse literatuur. Lees ik hun namen, dan ben ik thuis.” En hij voegt eraan toe: “Ik ken de literaire tijdschriften waaruit hun werk is gekozen.” Met andere woorden hij is inderdaad thuis, op het vertrouwde terrein van de inheemse instituties en de literatuuropvattingen die ermee verbonden zijn. Moeilijker wordt het op dat onvertrouwde terrein van de Vlaamse literatuur. Verwijzend naar mijn boek Al wie omziet, waarin zowel Nederlandse als Vlaamse dichters werden besproken, is hij het ermee eens dat daarin een grondige beschouwing gewijd wordt aan de poëzie van Christine D’haen en Roland Jooris, maar “de stukken die hij wijdt aan het werk van Patrick Conrad, Gwij Mandelinck, Hedwig Speliers, Marcel van Maele en Jotie T’Hooft bewijzen voor mij hoe ver het waardeoordeel in Vlaanderen van dat in Nederland af kan liggen.” Hoe juist die bedenking ook is, ze mist de hele pointe, om de eenvoudige reden dat ze nergens naar de achtergronden van zo’n waardeoordeel peilt. Nochtans zegt hij het onmiddellijk daarna zelf, maar zonder te beseffen wàt hij eigenlijk zegt: “De poëzie van deze vijf dichters is in Nederland nauwelijks bekend, die van D’Haen en Jooris wel, hoe ook met mate. D’Haen en Jooris, zie ik, staan in Komrij’s bloemlezing Duizend en enige gedichten, de vijf anderen niet. Ze staan er niet niet in omdat Komrij ze niet zou kennen – dat is een onmogelijke veronderstelling – maar eenvoudig omdat hij het niet goed vindt wat ze maken. Komrij is natuurlijk geen vertegenwoordiger van dé Nederlandse literaire smaak, maar ik wil toch in dit geval veronderstellen dat zijn keuze er ongeveer mee overeenkomt.”

Wat hij dus eigenlijk zegt, is: die dichters functioneren niet binnen het Nederlandse circuit, ze zijn afwezig in de gezaghebbende institutie die de bloemlezing van Komrij is, een institutie die de actuele canon weerspiegelt, dus zijn ze geen aandacht waard.De Nederlandse smaak wordt probleemloos gelijkgeschakeld met een boventijdelijke, absolute norm. Kan daarover in passages als deze nog enige twijfel bestaan, op het einde van zijn stuk is iedere nuancering verdwenen: “Er bestaat, is mijn opinie, geen onbegrip voor de Vlaamse literatuur, er bestaat alleen, en dat is principieel, geen begrip voor een gebrek aan kwaliteit. Dàt onbegrip zou in Noord en Zuid even sterk ontwikkeld moeten zijn. Nog bonter maakte het Carel Peeters, volgens wie de geringe kritische aandacht voor literatuur uit Vlaanderen niet te maken had met “onwil of gebrek aan belangstelling”, maar eenvoudigweg met “het ontbreken van boeken die het bespreken waard zijn.” Wanneer het er dan op aankomt daarvoor criteria op te sommen, komt hij niet verder dan dit: “De boeken van deze schrijvers vallen op doordat ze zo buitengewoon literair zijn en zwanger gaan van alle afgekloven literaire thema’s: vervreemding, leegte, de dood, de eenzaamheid, de literaire liefde. In zwaarwichtige taal, in wazige situaties of juist al te concreet.” Daarop reageerde eerder al De Wispelaere in Het literair klimaat 1970-1985: “Afgezien van persoonlijke voorkeuren behoren deze thema’s tot de wereldliteratuur, en het hangt er natuurlijk geheel van af wat de auteurs ermee doen. ”

Maar er is meer aan de hand dan persoonlijke voorkeuren. Er is aan de hand dat ook hier een literatuuropvatting, die een afgeleide is van een kritische, tijd- en plaatsgebonden Nederlandse consensus, verheven wordt tot een niet verder ter discussie staande norm. En die wordt vervolgens vanuit de machtige instituties die Carel Peeters en vrij Nederland zijn, gehanteerd om goed en kwaad, schapen en bokken van elkaar te scheiden.’ (Hugo Brems, Een zangwedstrijd, 1994, pp. 63-65)

***


Een Reactie op “‘Er is een Vlaams literair systeem en er is een Nederlands literair systeem’

  1. En zo is het maar net, Dirk.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s