6. Cijfers

Een cijfermatige analyse van onze selectie leidt tot een aantal interessante vaststellingen. Deze tabellen vindt u in het boek.

Er liggen duidelijk zwaartepunten in de eerste helft van de jaren tachtig (in totaal goed voor 117 gedichten met pieken in 1980, 1983, 1984 en 1986) en de eerste helft van jaren negentig (vertegenwoordigd door 104 gedichten, met uitschieters in 1993, 1994, en 1996).
Ook de tweede helft van de jaren zeventig (1974-1979) trok blijkbaar onze aandacht: we kozen in totaal 98 gedichten uit die periode, met achttien gedichten uit de jaarproductie van 1974, zestien uit 1975, veertien uit 1976, zestien uit 1977, tweeëntwintig uit 1978 en twaalf gedichten uit 1979. Het is dus niet zo dat de periode 1970-1999 een soort ‘continuüm’ vormt. Nee: er verschijnt een piek in de periode 1978-1986 en eentje in de periode 1993-1996.

We kunnen hieruit een aantal conclusies trekken. Ten eerste maakte de Vlaamse poëzie in de periode 1970-1996 interessante ontwikkelingen door, met turbulente activiteit in de periode 1978-1986 en een consolidatie van belangrijke oeuvres én het postmoderne paradigma in de eerste helft van de jaren 1990. Niet voor niets zien we tussen 1978 en 1986 een aantal belangrijke stromingen elkaar quasi overlappen: er verschijnt nieuw werk van dichters die tot het postexperiment en de neoromantiek worden gerekend, terwijl de eerste aanzetten tot het postmodernisme al zichtbaar worden en traditionele dichters als Aleidis Dierick (Gedichten voor een man), Hubert van Herreweghen (Aardewerk) en Anton van Wilderode (De overoever, De vlinderboom) belangrijk werk publiceren.

Verder wordt het resultaat voor de periode 1978-1986 sterk beïnvloed door de publicatie van het verzameld werk van Jan de Roek en Johan Daisne, twee zeer verschillende dichters van wie pas op dat moment het belang voor de Vlaamse poëzie duidelijk wordt.
Zo is het topresultaat van 1980 bepaald door onze keuze uit de Verzamelde gedichten van Jan de Roek, een dichter van wie zelden of nooit werk werd gebloemleesd. Hij oefende vooral in de jaren zestig invloed uit op de pink poets en hun entourage, maar zijn grote impact op de ontwikkeling van de Vlaamse poëzie wordt pas ten volle duidelijk bij de verschijning van het verzameld werk. Samen met Pernath is de eveneens jong gestorven De Roek bepalend geweest voor de krachtige doorwerking van het experimentele paradigma. Wellicht zou de invloed van pink (Conrad, Van Bruggen, Freddy de Vree) en postexperiment (Adams, Bartosik, Van den Brande) zonder De Roek nooit zo groot zijn geweest. Van hem kozen we acht gedichten, goed voor 38 procent van de jaarselectie. Met de publicatie van De Roeks Verzamelde gedichten in 1980 wordt in zekere zin de periode van het postexperiment afgesloten, al zullen Willy Roggeman, Stefan Hertmans en Dirk van Bastelaere daar elk op hun manier nog op aansluiten.

In dat andere topjaar uit deze periode, 1978, verschenen ook de Verzamelde gedichten van Johan Daisne en Het is zo niet zo is het van Mark Insingel, samen goed voor acht gedichten of 36 procent van de selectie voor 1978. Het betreft hier twee sterk verschillende dichters, die geen van beiden au serieux werden genomen door kritiek en publiek. Toch illustreert hun werk perfect het brede spectrum waarbinnen de Vlaamse poëzie zich beweegt. Precies daarom is de periode 1978-1986 zo interessant. Er verschijnt nieuw werk van de meest uiteenlopende dichters. Claus staat er naast Daisne; Insingel naast Gery Helderenberg; Van Vliet naast Boon; Nolens naast Mandelinck; D’haen naast Dierick. Er verschijnen opmerkelijke bundels als Rigor Mortis van Michel Bartosik, het posthume Poezebeest van Jotie T’Hooft, Het karige maal van Miriam Van hee, Alle tijd van de wereld, Hommage en Vertigo van Nolens, Met een klank van hobo van De Coninck, De overoever en De vlinderboom van Van Wilderode, Akker van Roland Jooris, Onyx van Christine D’haen, Vijf jaar van Van Bastelaere, Vader van Lut de Block, Een oog teveel van Bontridder, Litanie van Van Bruggen, In de piste van Lanoye, Klacht van een grootgrondbezitter van Carette, De feestelijke verliezer van Gruwez en Vormbeeldige gedichten van Mysjkin. Paradigma’s doven uit, andere paradigma’s dienen zich aan. In de periode 1978-1986 vind je pink, neoromantiek, experiment, postexperiment, traditie en postmodernisme naast elkaar.

Ten tweede zien we in de eerste helft van de jaren 1990 de consolidatie van individuele oeuvres én van het postmodernisme. Zo verschijnen Merencolie van Christine D’haen, Een raaf in Raversijde van Hendrik Carette, De halsband van de duif van Roger de Neef, Honing en as van Nolens en Bloomiade van Paul Claes. Ook een aantal bundels die cruciaal zijn voor de ontwikkeling van het postmodernisme zien het daglicht: Fratsen van Erik Spinoy, Diep in Amerika van Dirk van Bastelaere, Francesco’s paradox van Stefan Hertmans en Verhemelte van Peter Verhelst, vier bundels die zeer uiteenlopende richtingen in de postmoderne poëzie vertegenwoordigen, net als de Bloomiade van Claes, die eigenlijk ook in dit rijtje thuishoort. In 1995 verschijnt voor het eerst ook Van Bastelaeres lange gedicht ‘Wwwhooosh’ in de Fabre-special van DWB. Twee jaar later verschijnt het voor het eerst in boekvorm, maar dan in de bloemlezing Turkooizen scheepje. Voor de rest wordt het succes van de vroege nineties verklaard door veel ‘solopublicaties’, bundels van individuele dichters die buiten het postmoderne paradigma verschijnen en soms een occasioneel karakter hebben. Voorbeelden daarvan zijn Zwarte zee van Jan Braet, Paradogma van beeldend kunstenares Anne-Mie van Kerckhoven, Moedertaal van Charles Ducal, Waar je naar zit te kijken van Jo Govaerts, Dagmaat van Erik Heyman, Nuange van Jan van der Hoeven en Wegen naar insomnia van Johan de Boose. In 1996 verschijnt het debuut van Paul Bogaert, waarmee de tweede generatie postmodernen zich aandient. Ook van grote oeuvredichters als Van Herreweghen en Van Wilderode verschijnt werk. Veel interessant werk dus in deze periode, terwijl in de kritiek zoals te verwachten was veel aandacht werd besteed aan Schoolslag, een qua kwaliteit zeer matige bundel van Herman De Coninck.

Ook de spreiding van de 672 geselecteerde gedichten over het sterrensysteem vertoont een zekere logica.

Zoals te verwachten was, vertoont de bloemlezing een piramidale structuur, met een smalle top en een brede basis. Er valt enkel een verbreding vast te stellen ter hoogte van de oeuvredichters. Er valt een kwalitatieve tweedeling vast te stellen tussen de bovenste drie categorieën (48 procent van het totaal) en de een- en tweesterrencategorieën (52 procent van het totaal). Terwijl de bovenste helft bijdraagt tot innovatie en ontwikkeling, vind je in de onderste helft debuten en nieuwelingen, oeuvres met beperkte (poëticale) reikwijdte, eendagsvliegen, navolgers, amateurs, zoekers en toevalstreffers.

Op een totaal van 266 dichters hebben we 37 vrouwen opgenomen, of 14 procent. Dat is niet omdat we niet meer vrouwen wilden opnemen, maar omdat er gewoon minder vrouwen poëzie in het officiële circuit aanwezig zijn geweest de voorbije zestig jaar. Het aantal gedichten van vrouwen bedraagt amper 10 procent van het totaal. Geen van de paradigmadichters is een vrouw. Christine D’haen en Aleidis Dierick zijn de enige vrouwelijke oeuvredichters. Voor de rest zien we in de driesterrencategorie de qua impact en reikwijdte bescheidener oeuvres van Lucienne Stassaert en Miriam Van hee. Als de kwalitatieve verdeling voor het hele hotel 46-54 procent is, dan is dat voor het vrouwelijke contingent een verdeling van 11-89 procent. We bedoelen daarmee dat het aandeel vrouwelijke dichters dat tot de ontwikkeling van de poëzie heeft bijgedragen slechts 11 procent van het vrouwelijke contingent uitmaakt. Op het totaal van de 273 dichters vertegenwoordigen de vrouwen die de staat van de poëzie beïnvloed hebben slechts 1,5 procent.

Advertenties