5. Evenementen, oeuvres en epigonen

*****

Dichters die we vijf sterren toekennen zijn de dichters die een nieuw paradigma in de poëzie hebben geïnstalleerd. We noemen ze dan ook ‘paradigmadichters’. Bepaalde teksten uit hun oeuvre hebben bijgedragen tot veranderde opvattingen over poëzie en kunnen worden beschouwd als innovaties van het poëtische systeem.
Als opwaardering van het profane draagt innovatie bij tot de structurele ontwikkeling van het veld. Die vindt plaats wanneer andere dichters nieuwigheden overnemen, imiteren en verspreiden. Innovatie is dan ook een distinctief kenmerk dat de innovator concurrentievoordeel oplevert. Meer dan zijn navolgers draagt hij bij tot de ontwikkeling van kennis over de richting waarin de poëzie kan evolueren. Vernieuwing is een typisch moderne taktiek om zich van anderen te onderscheiden. Ze levert distinctie en symbolisch kapitaal op én ze leidt op termijn gegarandeerd tot een uitgelezen plek in de canon. De permanente strijd om distinctie structureert het literaire veld niet alleen, ze zorgt ook voor een constante transformatie van het aanbod.
De vernieuwingen die paradigmadichters introduceren, kunnen zo polymorf zijn dat ze eigenlijk al een volgend paradigma aankondigen. De peetvader van de polymorfe paradigmatische vernieuwing is natuurlijk Paul van Ostaijen. Maar ook Hugo Claus weet op dat vlak van wanten. En Jotie T’Hooft tekent niet alleen voor de doorbraak van de neoromantiek (het paradigma dat breekt met neorealisme en postexperiment), met zijn mix van literaire motieven en verwijzingen naar de populaire cultuur (muziek, sciencefiction) ontpopt hij zich ook tot de Remy C. van de Kerckhove van het postmodernisme.
Een centrale plaats in het oeuvre van paradigmadichters is gereserveerd voor een (of meer) bundel(s), een cyclus of een gedicht met een evenementkarakter. Vaak kondigt dat evenement de geboorte van een nieuw paradigma aan. Het kan ook zijn dat het evenement zelf de eerste belangrijke manifestatie van het paradigma is. Plots, als van buitenaf, lijken het poëzielandschap en het discours veranderd. Hoewel de evenementtekst niet uit de lucht komt gevallen (hij heeft zoals alle teksten een voorgeschiedenis), lijkt hij in zekere zin een discontinuïteit in de ontwikkeling te veroorzaken. Het evenement breekt in de situatie in, aldus Badiou. Goede voorbeelden van evenementteksten zijn De Oostakkerse gedichten, De lenige liefde of Junkieverdriet. De poëzie erna is niet meer dezelfde als de poëzie ervoor. Vaak is over deze teksten ook een dispuut ontstaan, vaak gelden ze in de literatuurgeschiedenis als referentiepunt voor de paradigmawissel (de experimentele poëzie, de neorealistische poëzie, de neoromantiek). En bij hun verschijnen waren ze zowel succesvol als controversieel. Succesvol bij degenen die er een nadrukkelijke innovatie van het systeem in erkenden, controversieel omdat niet alle stakeholders hun teksten als innovatief erkenden of bereid waren ze als dusdanig te erkennen.
Soms kan een bundel zoals Het huwelijk van Charles Ducal in zekere zin een evenement zijn, maar als dat evenement niet bepalend is voor de ontwikkeling van het veld, valt het oeuvre terug naar de drie- of viersterrencategorie. Bij Ducal was dat ook het geval. Het evenementkarakter van Het huwelijk werd vooral door stof, thema en toon van de bundel bepaald. Poëticaal betekende de bundel, die verstechnisch nogal afhankelijk is van Achterberg, Hoornik en Komrij, in geen geval een breuk met de neoromantiek of het dominante discours in het algemeen. Ironie en intertekstuale verwijzingen leidden aanvankelijk nog tot de plaatsing van Ducal binnen het postmoderne paradigma, maar na drie bundels werd duidelijk dat Ducals oeuvre de radicaliteit miste die het vroege postmodernisme typeert. Zijn recente bekroning met de De Coninckprijs vormt hiervan een bewijs.
Ander kenmerk van een vijfsterrenoeuvre is dat de evenementtekst vaak wordt gevolgd door een oeuvre dat muteert of invloed heeft over generaties heen. Innovatieve elementen ervan worden doorgaans overgenomen door dichters uit de ***, ** en *-klassen. Sommige paradigmadichters hebben hun visie op poëzie uitvoerig geëxpliciteerd in essays, interviews of dagboeken.

****

Dit is misschien wel de belangrijkste categorie uit de hele bloemlezing. Viersterrendichters zijn typische oeuvredichters. Tijdens hun loopbaan hebben ze diverse bundels van bovengemiddelde kwaliteit gepubliceerd. Ze hebben met andere woorden een kwalitatief hoogstaand oeuvre uitgebouwd dat doorgaans op zichzelf staat. Hun werk ontwikkelt zich los van modes of stijlen (Dierick, Insingel, Van den Berge), waardoor het een zekere autonomie krijgt. Vaak begonnen binnen een (nieuw) paradigma, zijn ze daar in de loop van hun carrière van weggeëvolueerd. Soms verwerft hun oeuvre pas een zekere autonomie wanneer het paradigma waartoe ze aanvankelijk behoorden van de voorgrond is verdreven. Oorspronkelijk neoromantische dichters als Gruwez, Van hee en Verpale zijn hiervan goede voorbeelden.

Sommige four stars werden tegen hun zin – maar vaak ook met stilzwijgende toestemming vanwege de extra aandacht – door de kritiek tot een bepaald paradigma gerekend. Zo is Remy Van de Kerckhove bij het experimentele verhaal ingelijfd en werden Christine D’haen en Paul Claes in Plejade nadrukkelijk als postmodernen gecast.
Een periodespecifieke poëtica hebben deze viersterrendichters in de loop der jaren vaak ingeruild voor wat we een ‘klassieke’ toon zouden kunnen noemen, of hun oeuvre nu lyrisch-subjectief, modernistisch, traditioneel of postmodern van grondslag is.

Viersterrendichters zijn doorgaans minder grillig dan paradigmadichters. Hun oeuvre vertoont meer coherentie en de kwaliteit ervan is over de hele lijn gelijkmatiger. Verschillende paradigmadichters lijden immers aan wat we het Van Ostaijen-syndroom kunnen noemen: een sprongsgewijze evolutie, waarbij oeuvre en eventuele reflectie op het medium niet altijd gelijklopen. Vaak treden discontinuïteiten tussen de ene bundel en de andere op (denk maar aan Heer Everzwijn en Van horen zeggen van Hugo Claus, een bijna maniëristische ‘anomalie’ in het oeuvre van De Coninck als De hectaren van het geheugen of de grote stilistische verschillen tussen De adem ik, Mijn gegeven woord en Mijn tegenstem van Pernath). In het oeuvre van viersterrendichters vallen meestal minder gaten. Over het algemeen voeren paradigmadichters experiment en metapoëzie hoog in het vaandel. Om dat te illustreren hebben we bijvoorbeeld van Herman de Coninck enkel ‘poëticale’ gedichten opgenomen, gedichten die de problematische relatie van taal en werkelijkheid als thema hebben.

Van de viersterrendichters selecteerden we in de regel zeven gedichten. Namen die u in deze categorie terugvindt zijn onder anderen: Roger De Neef, Herwig Hensen, Aleidis Dierick, Nic van Bruggen, Patrick Conrad, Stefan Hertmans en Erik Spinoy. Alleen van Jan De Roek kozen we acht gedichten, waarmee meteen de uitzonderlijke kwaliteit en het historische belang van dit in omvang beperkte oeuvre worden onderstreept. In ieder geval is het zo dat viersterrendichters een persoonlijke schriftuur hebben ontwikkeld die niet op modellen, voorbeelden of paradigmaretoriek is terug te voeren. In principe kan hun werk (esthetisch) zelfs overtuigender, ‘rijker’ of homogener zijn dan een vijfsterrenoeuvre. Dat geldt bijvoorbeeld voor D’haen, Hertmans en Van Wilderode van wie het werk, vergeleken bijvoorbeeld met dat van paradigmadichters T’Hooft en De Coninck, uiteindelijk complexer, rijker en overall interessanter is.
In deze bloemlezing maken we ten slotte een duidelijk kwalitatief onderscheid tussen de ****-categorie en andere dichters met een omvangrijk oeuvre (tien, vijftien bundels) die dat werk vaak ‘onder invloed’ hebben geschreven. Men kan er immers niet omheen dat sommigen zich al te kritiekloos inschrijven in een dominant of zelfs voorbijgestreeft paradigma. Sporen van een oudmodische, tot retoriek vervallen stijl zijn in dat geval duidelijk zichtbaar. Het ‘eigen’ idioom is te zeer bijeengesprokkeld uit ‘geleend’ idioom. Omdat deze dichters er zelden of nooit in slagen zich voldoende (discursief) te onderscheiden van hun modellen, klasseren we hen in de een- of tweesterrencategorie.

***

De meeste driesterrendichters dragen in belangrijke mate bij tot de articulatie van een paradigma. Zij blijven op een bepaalde manier het meest ‘trouw’ aan het evenemnt dat het paradigma opende. Daarmee zorgen ze voor de verspreiding en uitdieping van nieuwe tendensen, al ontwikkelen ze daartoe, zoals Wilfried Adams, Michel Bartosik, Leopold M. van den Brande of Ben Cami, elk hun eigen, herkenbare idioom. De meeste drie sterren zetten het paradigma – of elementen daaruit – naar hun hand, terwijl ze in het grootste deel van hun werk overduidelijk paradigmadichters blijven. Al dan niet bewust hebben ze zich in een paradigma ingeschreven en daar een niche voor zichzelf gecreëerd. Driesterrendichters zijn daarom onmiskenbaar neorealisten, (post)experimentelen, pink poets, neoromantici, etcx. In zekere zin belichamen zij een stroming.
Verschil met een viersterrenoeuvre is doorgaans een gebrek aan continuïteit in het oeuvre of een veeleer beperkte autonomie ten opzichte van een paradigma. Trouw heeft ook zijn beperkingen. Het werk van een aantal zeer interessante dichters uit deze categorie is bijvoorbeeld stilgevallen (Van den Brande) of vertoont zulke grote gaten dat de impact ervan op de poëzie noodgedwongen beperkt blijft. Invloedrijk zijn vooral die dichters die met een zekere regelmaat in hoge mate autonoom werk van bovengemiddelde kwaliteit afleveren. En daar mangelt het de dichters uit deze categorie weleens aan. Ze bouwen een eigen oeuvre uit, maar dat bereikt niet de graad van autonomie dat het werk van de viersterrendichters kenmerkt. Of de verhouding kwantiteit/kwaliteit in hun werk ligt zichtbaar lager dan bij de vier sterren.
Sommige van deze oeuvres zijn (nog) niet doorgegroeid tot vier sterren omdat ze zijn stilgevallen of een beperktere range hebben. Sommige oeuvres zijn het paradigma waarbinnen ze zijn gestart nooit ontgroeid. De categorie bevat dus verdienstelijke dichters met een boeiend oeuvre van wie de poëticale inzichten een veeleer beperkte reikwijdte en invloed hebben gehad. Van de dichters uit deze categorie kozen we in de regel vijf gedichten. Oeuvres waaruit we zes gedichten kozen hebben in onze ogen meer kwaliteit.

**

De twee-sterrendichters vormen een wat complexe en heterogene groep. Enerzijds kennen we twee sterren toe aan dichters met een tot op heden beperkt oeuvre. Jonge dichters zeg maar van wie het oeuvre in (volle) opkomst is. Hun werk belooft waardevol te worden en zich te ontwikkelen tot bovenstaande categorieën. Dichters die in deze categorie zijn ondergebracht zijn bijvoorbeeld Geert Buelens, Jan Lauwereyns, Paul Bogaert en Bart Meuleman.
Anderzijds bevat deze groep ook werk dat zich ontwikkelde binnen een paradigma, terwijl het niet uitgroeide tot een eigenzinnig oeuvre. Een reden daarvan zou kunnen zijn dat de dichter in kwestie zich weinig kritiekloos en eerder volgzaam bij een paradigma aansloot. In zekere zin gaat het hier om ‘epigonen’: dichters die technische en tot retoriek verworden stijlkenmerken overnemen zonder daar een eigen, particuliere visie of wereldbeeld tegenover te zetten. Tweesterrendichters zorgen op hun beurt voor de verspreiding en de doorwerking van vernieuwingen, maar vaak gaan ze daarbij op een weining oorspronkelijke manier tewerk, waardoor hun imitatie van paradigmatische kenmerken uiteindelijk ook bijdraagt tot de opheffing en uitdoving van het paradigma. De trouw verliest zijn noodzaak en dus zijn levenskracht. Toch bevat hun werk geregeld interessante gedichten die niet zonder enig belang zijn, omdat ze in de eerste plaats aantonen dat een paradigma bijzonder breed en lang kan doorwerken op de meest diverse manieren.
De tweesterrencategorie bevat vaak ook werk van ‘einzelgängers’ zoals Johan de Boose, Geert van Istendael, Frank de Crits, Roel van Londersele, Jan Mysjkin en Willie Verhegghe van wie we het oeuvre zeer appreciëren, terwijl het zich in onze ogen in een soort excentrische baan bevindt… Net als vele anderen duiken ze af en toe als de vreemde hemellichamen die ze zijn op aan de hemel en dan staan we erbij en kijken ernaar.
In deze categorie hebben we ten slotte ook werk opgenomen van oude coryfeeën die al lang voor 1945 poëzie publiceerden, maar ook na 1945 nog werk uitgaven dat vaak van belang was. Het kan ook zijn dat ze via hun verzameld werk nog een stempel drukten op deze periode. Voorwaarde voor selectie was dat van deze dichters na 1945 nog een afzonderlijke bundel verscheen. Onder meer Gaston Burssens, Maurice Gilliams en Jan Van Nijlen vallen hier op.
Van deze dichters namen we vier of drie gedichten op.

*

Samen met de tweesterrendichters vertegenwoordigen de dichters die één ster kregen, meer dan de helft van deze bloemlezing. Voor beide categorieën geldt in zekere zin de macht van het getal. De one stars zijn de dichters die voor de levensnoodzakelijke diversificatie van het poëzielandschap zorgen en die vaak een (soms omvangrijk) oeuvre opbouwden van (soms) lokaal belang. We denken dan aan dichters als Mark van Tongele, Marc Tritsmans, Daniël Van Ryssel, Lieven Rens, Erwin Mortier, Adriaan Magerman, Robin Hannelore, Achilles Gautier, Joris Denoo, Erik Heyman, enz. Interessante dichters die vaak hun eigen weg gaan en daardoor een beetje buiten alle categorieën vallen. De eensterrendichters zijn belangrijk voor het systeem omdat ze met zovelen zijn en omdat ze de diversiteit vergroten, al zijn we niet blind voor het vaak clichématige karakter van het werk van sommigen onder hen. Van de eensterrendichters selecteerden we dan ook vooral de gedichten die we goed, interessant of opmerkelijk vonden. De beste gedichten uit hun oeuvre, of: de gedichten die ons gewoon het meest aanspraken, de gedichten die iets voorstellen, zonder dat ze representatief zijn voor het werk in kwestie. Dichters met twee gedichten vinden we ronduit beter dan dichters van wie we slechts een gedicht selecteerden. Hier lieten we ons ondubbelzinnig door onze smaak leiden. Dat betekent dat hier ook veel plaats is voor ontdekkingen. Nieuwe, jonge en beloftevolle dichters zoals Eva Cox, Jess De Gruyter, Richard Steegmans of Herlina Vekemans. Dichters van wie nooit iemand gehoord heeft, maar van wie we hier graag een gedicht opnemen, zoals Christine de Hondt, Mia Van der Haegen, Maria Christina o.p. of Anne-Mie van Kerckhoven. We hebben ook ons best gedaan om in deze categorie werk op te nemen van BV’s als Elsje Helewaut, Ozark Henry, Axel Dhaeseleire, Rick De Leeuw en nog een paar andere ‘bekende mensen’ die zich ooit op de poëzie hebben gestort, maar tevergeefs. Geen van hen heeft de toets der (toch wel milde) kritiek doorstaan. Bekend en wél geselecteerd zijn Marc Reynebeau, Hugo Matthysen, Ivan Ollevier (geweigerd), Elvis Peeters, Koen Peeters, Hugo Raes, Ivo Michiels en Gaston Durnez, al zullen we hier niet ingaan op hun literaire kwaliteiten. Andere dichters van wie u in deze categorie werk terugvindt zijn Marc Braet, Paul Rogghé, Serge Largot, Jozef Deleu, Wies Moens, Bert Popelier en Marcel Pira.