4. ‘We are star dust’

Met deze bloemlezing proberen we reliëf aan te brengen in het poëtische systeem zoals dat sinds 1945 is gegroeid. De structuur die we opzetten, moet onze keuze in zekere zin objectiveren. We introduceren daartoe een aantal functionele categorieën, waaraan we een aantal sterren hebben toegekend. In het hotelwezen betekenen meer sterren meer functies, meer comfort, meer service. In Hotel New Flandres verwijst het aantal sterren echter naar kwaliteit, complexiteit, invloed en belang van een oeuvre. Zoals te verwachten was, is het een ambivalent systeem geworden. En een bediscussieerbaar systeem. Maar is discussie niet eigen aan de traditie van de breuk?

Centraal staat altijd het oeuvre van een dichter en meer bepaald de plaats ervan in het literaire veld. Bepalend voor de hiërarchie die we in onze classificatie aanbrengen, is de invloed van een oeuvre op de historische en poëticale ontwikkeling van de poëzie. Oeuvres met meer invloed op de evolutie krijgen meer sterren toegewezen dan oeuvres met minder invloed. Velden zijn gestructureerde ruimten waarin objectieve relaties aanwijsbaar zijn tussen objectief gedefinieerde posities. In elk veld circuleert een specifieke vorm van kapitaal dat ongelijkmatig verdeeld is over de posities die door dichters in de loop van hun carrière worden ingenomen. Dat kapitaal proberen we met onze keuze in kaart te brengen. Of, om preciezer te zijn, dat kapitaal verdelen wij volgens principes die fundamenteel (kunnen) verschillen van de principes die andere bloemlezers of bijvoorbeeld programmatoren van literaire avonden hanteren.
Innoverende oeuvres zijn bij ons goed voor vijf sterren. Oeuvres die zich inschrijven in een heersend paradigma, aansluiten bij een verouderd paradigma, ongelijk in kwaliteit zijn of hoofdzakelijk op retoriek drijven (van welke aard dan ook: traditioneel, experimenteel, postmodern…) krijgen een, twee of drie sterren. De mate waarin deze oeuvres een zekere autonomie vertonen tegenover het dominante paradigma bepaalt het aantal sterren dat we toekennen. Hoe autonomer, hoe eigenzinniger, hoe idiosyncratischer – hoe meer sterren.
Een tweede bepalende factor voor de categorie waarin we een oeuvre onderbrengen, is de (staat van) ontwikkeling van het oeuvre zelf. Een volwaardig oeuvre (vier of vijf sterren) neemt een belangrijkere positie in dan een oeuvre in volle ontplooiing (Bogaert, Buelens, Cox, De Gruyter…), een stilgevallen oeuvre (Goswin, Van den Brande, Declercq, Van Riet, Van Ryssel, Jespers), een oeuvre dat hoofdzakelijk voor WOII werd geschreven (Buckinx, Reninca, Burssens, De Belder), een oeuvre met een aantal hiaten (Adams, Van Londersele, Verpale), van veeleer beperkte omvang of reikwijdte (De Crée, Walter Haesaert, Tritsmans, Van der Hoeven) of een oeuvre dat groot is in kwantiteit maar niet echt heeft bijgedragen tot de ontwikkeling van de poëzie (Marc Braet, Maris Bayar, Willy Spillebeen, Gery Florizoone). Wel is het goed mogelijk dat sommige oeuvres die we nu een, twee of drie sterren hebben toegekend over enkele jaren zijn doorgegroeid of weggezakt naar een andere categorie. De poëzie is nu eenmaal permanent in ontwikkeling. Dichters voegen nieuwe, belangwekkende bundels aan hun oeuvre toe, maar het is ook mogelijk dat een oeuvre stagneert.

Een bijdrage leveren tot de ontwikkeling van de poëzie betekent voor ons: vernieuwen. Of: ‘voorheen onbekende of minder bekende elementen in het systeem introduceren’. Door de ontwikkeling van een eigen stijl, visie en/of wereldbeeld dragen dichters in mindere of meerdere mate bij tot de evolutie van het genre. Vaak is het dominante discours geneigd afwijkende elementen als anomalieën te zien. Denk maar aan het oeuvre van Willy Roggeman of de vroege poëzie van Jan Mysjkin, die zo vreemd bleek aan het Vlaamse systeem dat ze zowat werd genegeerd… Te sterke afwijkingen van de ‘norm’ leiden vaak tot indifferentie omdat ze buiten het referentiekader van de modale ‘deskundige’ vallen. Toch betekent de loutere aanwezigheid van een anomalie nog niet dat het om een innovatie gaat. Die vindt pas plaats wanneer de anomalieën van één dichter (bv Pernath) door tal van anderen worden overgenomen. Een anomalie die wordt opgepikt en doorwerkt in het poëtische systeem is dus een innovatie. Ze vormt het begin van een paradigma. Paradigma is misschien een ander woord voor de trouw aan het evenement waarover Badiou het heeft.

Wat de ‘objectiviteit’ van de verhoudingen tussen de oeuvres betreft, alvast het volgende: soms waren we genoodzaakt de beeldvorming rond bepaalde oeuvres te corrigeren. Modes, machtposities, fixaties van critici, beperkingen van de media etc, hebben ervoor gezorgd dat sommige oeuvres jarenlang zijn genegeerd, terwijl de publieke zichtbaarheid van andere oeuvres niet overeenstemt met hun veeleer bescheiden of relatieve rol in de ontwikkeling van de Vlaamse poëzie. Zo is het werk van Van Wilderode, Hertmans, Willy Roggeman, Spinoy, D’haen, Van de Kerckhove, e.a. van groter belang voor de ontwikkeling van de poëzie dan het bekendere werk van Lanoye, Van Vliet of Moeyaert. Sommigen zullen het niet eens zijn met het belang dat we de oeuvres van Claude van den Berge, Mark Insingel, Jan De Roek of Aleidis Dierick toekennen. Zij krijgen evenveel plaats als Eddy Van Vliet en Luuk Gruwez, tenslotte toch dichters met naam. Alleen is de bijdrage van Insingel, De Roek et al. aan de ontwikkeling en de diversiteit van de Vlaamse poëzie minstens zo belangrijk als die van Van Vliet en consoorten. Radicale ideeën, een zelfbewuste keuze voor de traditie van de moderniteit, gevoeligheid voor codes en registers en een lucide exploratie van de mogelijkheden van het genre maken Mark Insingel bijvoorbeeld tot wegbereider van het postmodernisme. Insingel is een complex, hedendaags en avontuurlijk dichter, maar niet als dusdanig erkend omdat hij buiten het lyrisch-subjectieve sjabloon viel dat bloemlezers jarenlang over de poëzie hebben gelegd. De presentatie van Insingel als oeuvredichter was dus zo’n noodzakelijke correctie. Soortgelijke argumentaties zouden we over tal van andere dichters kunnen opzetten. En eigenlijk zouden we voor elke keuze (dichter, oeuvre, veldpositie) een individuele verantwoording kunnen geven.

Hoewel gedeeltelijk ingegeven door voorkeuren zijn onze correcties op zich een objectiverende factor. Veel dichters of gedichten zijn nooit eerder in een bloemlezing opgenomen. Hoe kleiner het aantal dichters dat in een bloemlezing wordt opgenomen, hoe subjectiever de keuze in principe, tenzij een objectief selectiecriterium wordt gehanteerd, zoals rood haar hebben, linkshandig zijn of geboren zijn in Haspengouw. Het loutere aantal dichters, de keuze van de gedichten, de opvulling van lacunes in het bestaande beeld van de Vlaamse poëzie, de materiële basis (de bibliotheek van het Poëziecentrum) en de nadruk op ontwikkeling, oeuvres en het systeem in het algemeen geven onze keuze sowieso een objectiever karakter dan andere selecties.

Terwijl we met ons sterrenmodel aangeven welke positie een oeuvre inneemt in het poëtische systeem in Vlaanderen, houdt het aantal toegekende sterren samen met de hoeveelheid gekozen gedichten ook een kwaliteitsoordeel in. Dat is onvermijdelijk en we zijn daar niet naïef in, laat staan te kwader trouw. Met deze bloemlezing willen we een groot publiek onze visie op de ontwikkeling en de diversiteit van de Vlaamse poëzie bieden. Vanuit een historiserende blik zetten we oeuvres in een andere hiërarchische verhouding tot elkaar dan gebruikelijk is. Anders gezegd: in Hotel New Flandres reconstrueren we de canon.

Bloemlezen betekent in de eerste plaats: keuzes maken. Keuzes steunen noodgedwongen op preferenties, maar in ons geval ook op een analyse van het veld en zijn ontwikkeling. We wilden het bloemlezen namelijk nadrukkelijk presenteren als een kritische praktijk. In het Grieks betekent ‘krinein’: scheiden, en dat is wat we in deze bloemlezing ook permanent doen: (historisch) belangrijke oeuvres of teksten van minder belangrijke oeuvres scheiden, en dat altijd met het oog op de verschuivingen binnen het poëticale discours.