3. Economie en waardetoekenning

Poëzie, of althans de bijzetting ervan in het archief, heeft meer met economie te maken dan we geneigd zijn te denken. Bloemlezen draait namelijk om waardetoekenning, en dat is in wezen een economische operatie. ‘Economie is de handel met waarden binnen welbepaalde waardehiërarchieën,’ zegt Boris Groys. Anthologieën zijn niet alleen constructies, ficties die een bepaald beeld van een literair systeem neerzetten. Het zijn ook gebeurtenissen die de economie van het veld beïnvloeden. Gedichten worden uitgekozen – of niet – en in een bepaalde hiërarchie gerangschikt. Waarde wordt toegekend. Waarde wordt onttrokken. Denk maar aan het verhaal dat de houtworm over de Ark van Noach vertelt.
In de premoderne tijd was de waarde van een kunstwerk afhankelijk van de mate waarin het beantwoordde aan de voorschriften van de traditie. Sinds de moderniteit noemen we vooral datgene waardevol dat breekt met de traditie. De moderniteit is de traditie van de breuk, zegt Octavio Paz. ‘De moderniteit is nooit zichzelf, ze is altijd een andere’. Typisch voor de moderniteit zijn dan ook het nieuwe, het heterogene, datgene wat extern aan de traditie is. De Nederlandse schrijver en dichter J.F Vogelaar beschreef de geschiedenis van de moderne literatuur als een geschiedenis van ‘repeterende breuken’. Die cultus van het nieuwe bepaalt ook vandaag nog onze cultuur. Het is het nieuwe, het vreemde, het anderssoortige en onbekende in de kunsten dat onze goedkeuring wegdraagt. Vandaar de grote nadruk die we in Hotel New Flandres leggen op de paradigmawisselingen in de Vlaamse na-oorlogse poëzie. Zij vertegenwoordigen die breuk van het moderne met zichzelf. Zij vormen het moment waarop de ontwikkeling van de poëzie zich het duidelijkst toont.
Innovatief noemen we de teksten of bundels die een verandering in de culturele hiërarchie teweegbrengen omdat ze voorheen ondergewaardeerde of voor die hiërarchie, ‘waardeloze’ elementen in de poëzie hebben binnengebracht. In het dominante discours worden bepaalde kenmerken nu eenmaal gewaardeerd (bijvoorbeeld verwijzingen naar pilsjes en petten, landschappen en schommels, kranten en wielerwedstrijden in het neorealisme) ten koste van andere elementen (weltschmerz, subjectiviteit, psychodrama, existentiële twijfel, verwijzingen naar de massacultuur en de subcultuur van het druggebruik, etc.). Elementen die voordien geen rol speelden, leiden tot vernieuwing en ontwikkeling van de poëzie op het moment dat een dichter (Jotie T’Hooft bijvoorbeeld) ze in de poëzie introduceert.
Opwaardering van het ongewone, van datgene waarmee de literatuur niet vertrouwd is, gaat ook altijd gepaard met een zekere degradatie van het bekende. Zo stelde de Nederlandse kritiek onomwonden dat de Vijftigers zich onder het bewind van Komrij en co (grosso modo de jaren 1980-1995) in het vagevuur bevonden. Hun werk onderging met andere woorden een desappreciatie. Die schommelbeweging tussen opwaardering en devaluatie komt duidelijk tot uiting bijvoorbeeld op het moment dat het klassieke versschema wordt ingeruild voor het vrije vers en een ternauwernood gecontroleerde toevloed aan metaforen in het experiment. Of wanneer klassieke thema’s (Hensen, Peleman, Reninca) worden afgelost door het nadrukkelijk geërotiseerde lichaam bij Claus: de innovatie van het experiment leidt tot een opwaardering van het profane (het vlees) en een degradering van het cultureel gewaardeerde (de contemplatie). In het neorealisme verdringt het alledaagse als thema de taal als thema bij de postexperimentelen. De opwaardering van de spreektaal leidt tot een degradatie van de complexe, gefragmenteerde metataal. Het meest expliciet komt dat tot uiting in de introductie van readymades in de poëzie in de vorm van citaten uit folders en populaire media. Dezelfde dynamiek treffen we bij Duchamp aan wanneer hij een urinoir het museum binnenbrengt.

Nieuwe ideeën, procédés, concepten, visies en zelfs hele paradigma’s (het experiment, het postmodernisme) leiden onherroepelijk tot een herijking van de poëtische waardeschaal. Ook de bijzetting van poëzie in het archief is een economische operatie. T.S. Eliot wees daar al op. ‘De bestaande monumenten vormen een ideale orde, die door de introductie van het nieuwe (het echt nieuwe) werk wordt gewijzigd,’ schreef hij in ‘Tradition and the Individual Talent’. ‘Voordat het nieuwe werk verschijnt, is de bestaande orde compleet. Wil de orde blijven bestaan na de introductie van het nieuwe, dan moet de hele bestaande orde – hoe licht ook – worden gewijzigd; waardoor de relaties, de verhoudingen en de waarde van elke tekst tegenover het geheel worden bijgestuurd.’ Tegenwoordig weten we dat de ‘bestaande monumenten’ geen ideale orde vormen en dat die orde verre van compleet is. Toch is de dynamiek die Eliot beschrijft correct. Echt nieuwe teksten reorganiseren het veld, de historische orde en de bestaande hiërarchieën en leiden tot een herwaardering van het oude, dat in het licht van het nieuwe werk anders verschijnt. Een korte verwijzing naar het werk van de Franse filosoof Alain Badiou is hier wellicht op zijn plaats. Als weinig andere denkers heeft hij erop gewezen dat het evenement niet dialectisch gedacht en verklaard kan worden uit de situatie waarin het zich voordoet. Het evenement is een radicale inbreuk in de situatie, onvoorzien en op een bepaalde manier altijd gewelddadig. Badiou spreekt van een moment van ‘waarheid’. Ethiek definieert hij als trouw aan die waarheid die in het evenement oplicht. Het zijn die momenten van waarheid in de poëzie die wij erg belangrijk vinden, al hebben we daarnaast ook heel wat andere gedicht geselecteerd. Hoewel een evenement niet vanuit de situatie verklaard kan worden, is het alleen maar een evenement tegen de achtergrond van die situatie. Naast de evenementen hebben we ook de situatie van de naoorlogse poëzie in kaart proberen te brengen.