2. Bouwen aan de poëzie

De bloemlezing als constructie
Zoals elke bloemlezing is dus ook deze bloemlezing een constructie. En dat zeggen we ook letterlijk: we hebben het veld van de Vlaamse naoorlogse poëzie in kaart gebracht, maar met meer aandacht voor heterogeniteit dan andere bloemlezers hebben gedaan. Zowat alle bestaande bloemlezingen presenteren een canon van de canon. De meeste bloemlezers kiezen gecanoniseerde gedichten van gecanoniseerde dichters. Een probleem vonden wij, omdat zo, in de loop der jaren, een steriel, academisch en gedomesticeerd beeld van de Vlaamse poëzie is ontstaan. Bloemlezingen doen zichzelf graag voor als een Ark en de bloemlezer als Noach. In de Ark worden de beste gedichten tegen de zondvloed van de tijd. Ze worden uit hun historische context losgemaakt en bijgezet in een tijdeloos pantheon. Maar bij nader toezien is een bloemlezing zelf een soort van zondvloed die een groot deel van de poëzieproductie meedogenloos wegspoelt. Wij willen af van de bloemlezing als Ark van Noach. Wij zien onze bloemlezing meer als ‘Le bateau ivre’, het dronken schip van Rimbaud, dat zich overgeeft aan de stormen, de onberekenbare stroomversnellingen, de draaikolken, de verraderlijke stilstaande wateren van de geschiedenis. We plaatsen de dichters en de gedichten terug in hun tijd. We hebben geen selectie gemaakt die de tijd moet doorstaan. Het is trouwens nog maar de vraag welke dieren Noach niet heeft meegenomen en welke hij onderweg heeft verloren. In zijn fascinerende roman De geschiedenis van de wereld in 10 _ hoofdstuk laat Julian Barnes een houtworm die als verstekeling op de Ark zat, het verhaal doen van de vaart. De houtworm maakt duidelijk dat het om een vloot van acht schepen ging waarvan er verschillende vergingen door slecht leiderschap. Met alle gevolgen van dien voor het dierenrijk. Vele diersoorten verdwenen: “Ik denk dat u de sumurg erg mooi had gevonden en de getijgerde woelmuis en het platstaartaardvarken, de dubbelbekkever.” Hetzelfde gebeurt in bloemlezingen. Wij hebben daarentegen geprobeerd de sumurg, de getijgerde woelmuis, het platstaartaardvarken en de dubbelbekkever aan boord te houden.

We hebben dan ook geen banvloeken uitgesproken over ‘foute’ dichters als Ferdinand Vercnocke, Bert Peleman, Reninca, Marc Reynebeau, Raoul Maria De Puydt of Johan Daisne. We hebben geen lange gedichten weggelaten vanwege ‘plaatsgebrek’. We hebben prozagedichten opgenomen, gedichten in de vorm van lijstjes of conversaties, Kongo-gedichten, light verse, verzen die veeleer conceptueel van aard zijn zoals de Bloomiade-gedichten van Paul Claes, visuele poëzie van Paul de Vree en wonderlijke, semi-mystieke gedichten (van Reninca bijvoorbeeld ‘Ik ben als een koolmijn zoo donker’). Zelfs Franstalige Vlaamse poëzie. Pedofiele, religieuze en koloniale poëzie staat hier naast mijnwerkersgedichten, onderwijzerslyriek en plichtmatig experimentele poëzie.

Bloemlezingen zijn verraderlijk. Als de constructies, als de ficties die ze zijn, geven ze steevast een vals beeld van de poëzie. Ze houden ons voor dat ze ‘de mooiste’ gedichten van de voorbije honderd jaar bevatten, ‘de mooiste’ van Paul Celan of ‘de mooiste’ uit de wereldliteratuur. Ze beweren ons een ‘spiegel der letteren’ te tonen of ze maken de poëzie ondergeschikt aan de grote thema’s (geboorte, liefde en dood) – alsof poëzie tot thema’s zou kunnen worden herleid. Poëzie wordt daarmee ingelijfd in een persoonlijk verhaal dat de bloemlezer wil vertellen. ‘Kijk eens wat ik mooi vind’ en dat is meteen het mooiste van Bertolt Brecht. ‘Kijk eens hoe diepzinnig, ontroerend poëzie de menselijkheid van kinderen en ouders kan tonen’ en het is meteen een verzenboek voor het hele gezin. Vreemd genoeg blijkt die ‘hoogst persoonlijke’ keuze heel vaak het gecanoniseerde voer te herkauwen, waarmee de bloemlezer zelf zich toont als gedomesticeerd door de canonieke praktijk.

Bloemlezen is kiezen, waarbij de keuze voor het ene onvermijdelijk het andere verdringt. Je maakt iets zichtbaar ten koste van iets anders, dat buiten beeld verdwijnt. Ook Hotel New Flandres bevat noodzakelijkerwijs een keuze. Alleen denken we dat de loutere kwantiteit van de keuze én de materiële basis waarop de bloemlezing steunt dit boek tot de eerste bloemlezing maken die een redelijk gedifferentieerd beeld geeft van de officiële en semi-officiële Vlaamse poëziepraxis van de voorbije zestig jaar. De echte amateurpoëzie, geschreven in dagboeken door pubers, verwarde studenten en goedbedoelende weduwen, hebben we niet opgenomen omdat die vaak ook niet in boekvorm is uitgegeven. Helaas blijkt op dat vlak het internet een uitkomst te bieden. Ook songteksten kwamen niet in aanmerking al hebben die zeker raakvlakken met bepaalde vormen van poëzie.

Als materiële basis namen we de rijke collectie van het Gentse Poëziecentrum en daarvan hebben we alle bundels van Vlaamse auteurs die na 1945 werden gepubliceerd – door professionele uitgevers, amateuruitgevers of in eigen beheer – uit de kast genomen, afgestoft en doorgelezen. Een maandenlange odyssee door deze bibliotheek leerde ons dat een bloemlezing als deze noodgedwongen een lectuur is van het poëtische systeem. Daarom bevat deze bloemlezing niet enkel gedichten die we goed vinden, maar ook gedichten van dichters die ons weinig of niet interesseren, omdat we ze saai, flauw, truttig of ouderwets vinden. Toch hebben we werk van hen opgenomen.

Hotel New Flandres is daarenboven een compromis van drie lezers die de bibliotheek van het Poëziecentrum bundel voor bundel hebben doorgenomen en die bundels elk anders hebben gelezen. Als dichter, als liefhebber en als criticus balanceren we voortdurend op het slappe koord tussen de eigen voorkeuren, literair-historisch belang en representativiteit.

Advertenties