De Introductie

Op deze pagina vindt u de volledige introductie tot de bloemlezing. Ze bestaat uit acht paragrafen en beslaat in gedrukte vorm 28 pagina’s. U kunt de keuze en de organisatie van het boek niet begrijpen als u niet eerst de introductie hebt gelezen. Dat geldt natuurlijk ook andersom. Uitspraken louter en alleen op basis van de introductie zijn irrelevant.

In de introductie komen de volgende thema’s ter sprake:

  • de onmogelijkheid van representativiteit
  • literatuurgeschiedenis als constructie
  • de bloemlezing als (re)constructie van het Vlaamse naoorlogse poëtische systeem
  • innovatie en waardetoekenning
  • de ontwikkeling van de poëzie
  • positionering van dichters in het poëziesysteem
  • cijfergegevens
  • de chronologische presentatie van de gedichten
  • de literair-politieke focus op de autonome ontwikkeling van het Vlaamse poëtische systeem
Tot u spreekt Cyriel Verschaeve

Tot u spreekt Cyriel Verschaeve

0. Avant la lettre

In Sint-Niklaas staat een hotel. Vanuit de trein Antwerpen-Gent kun je het zien: op een ongemakkelijke hoek van het Stationsplein, een beetje alsof het uit de stad wordt weggedrumd, met kamers voornamelijk uitkijkend op de spoorlijn. In de jaren 1970 was de locatie nog troostelozer. Door de afbraak van het neoklassieke stationsgebouw en de aanleg van een tunnel leek het alsof een bom was ingeslagen. De kaalslag was zichtbaar tot op de maan. Nu kijkt de hotelgast uit op een commercieel mausoleum in zwarte betonsteen en een Hollands aandoende esplanade. Hoewel het in 1890 gebouwde hotel eigenlijk ‘Vlaanderens Gasthof’ heette, stond het in de stad bekend als ‘Hotel des Flandres’ en werd onder die naam een tijdlang geëxploiteerd door de ouders van choreograaf Alexander Baervoets. Toen Sint-Niklaas het transitcentrum van de Vlaamse textielindustrie was, streken talloze anonieme handelsreizigers er neer. In 1999 werd het hotel verkocht en kwam het leeg te staan, tot het in 2003 opnieuw openging onder de welluidende, hedendaagse naam: ‘Hotel New Flandres’. Sint-Niklaas is de stad die dichters als A.K. Rottiers, Anton van Wilderode, Paul Snoek, Tom Lanoye, Marcel Obiak, José de Poortere, Daan Anthuenis, Dirk van Bastelaere, Erik Spinoy, Norbert de Beule en Alex Callier voortbracht. Hotel New Flandres kan geen toeval zijn. Niets dat niet iets anders aanraakt.

1. Drie mannen, een missie

Hotel New Flandres is een hybride titel voor een hybride project. De opdracht van de uitgever was niet eenvoudig. Ter gelegenheid van het dertigjarige bestaan van Poëziekrant en het vijfentwintigjarige bestaan van het Poëziecentrum vroeg Willy Tibergien ons een bloemlezing te maken van de poëzie in Vlaanderen na 1945. Het overzicht diende literair-historisch verantwoord te zijn én representatief voor de poëzieproductie in Vlaanderen. Als het qua opzet ook nog zou afwijken van bestaande anthologieën was dat mooi meegenomen.

Dat we in dat opzet niet geslaagd zijn, staat nu al vast. Een literair-historisch verantwoorde bloemlezing zou een uitgesproken, zorgvuldig gearticuleerde en academisch verantwoorde visie op literatuurgeschiedenis vereisen. Die hebben we niet en die werken we in deze korte introductie ook niet uit. De ervaring van Paul de Man, die een literatuur-geschiedenis wou schrijven en uitkwam bij de fundamentelere vraag hoe je eigenlijk moet lezen, ligt nog al te vers in het geheugen.

Iedere literatuurgeschiedenis is een constructie, een verhaal dat bepaalde verhoudingen en posities expliciet zichtbaar maakt ten koste van andere verhoudingen en posities. Zo beschouwd is een bloemlezing een literair-historisch verhaal waarin bepaalde dichters en bepaalde gedichten in bepaalde (veelal hiërarchische) verhoudingen tot elkaar worden gezet – en andere(n) niet. Alleen moeten we hier ons literair-historische verhaal impliciet houden. Dat heeft te maken met banaliteiten als plaatsgebrek (we zouden een apart volume nodig hebben om een nieuwe geschiedenis van de Vlaamse poëzie te schrijven) en met pragmatiek: we willen dat dit boek gebruikt wordt door een zo groot mogelijk publiek, omdat we vinden dat het dominante beeld van poëzie dat vandaag in de media wordt uitgedragen ergerlijk simplistisch is.
De poëzie van gedichtendag, van Canvas en de De Coninckprijs, van de boekenbijlagen, de fietsroutes, de stadsdichters en De laatste show, dat is niet onze poëzie. Dat is niet de moderne poëzie zoals die zich in de twintigste eeuw in Vlaanderen en daarbuiten heeft ontwikkeld. Niet de hele wereld viert carnaval. Niet iedereen lust Rick De Leeuw. Wij staan niet bepaald te juichen bij de recente publieke ‘aandacht’ voor de poëzie. Het genre lijkt immers het zoveelste slachtoffer van de kannibalen uit Entertenia. In de media is alles mogelijk als het maar leuk of controversieel is. Poëzie? Ja, omdat ze zo leuk oubollig is. Poëzie? Ja, uit de mond van een ongeschoren lolbroek met een morsige trui. Poëzie? Ja, op panelen langs de Frankrijklei en de zeedijk. Geprepareerd voor het tv-publiek, de zondagse wandelaar en bezoekers van evenementen is poëzie van haar complexiteit en edge ontdaan, waardoor ze nagenoeg onmodern is geworden, althans de poëzie zoals ze tegenwoordig voor het publiek wordt opgevoerd.
Natuurlijk is de transformatie van poëzie tot risicoloos entertainment niet het hele eieren eten. De omgang met poëzie in het stadsbeeld en langs fietsroutes getuigt bijvoorbeeld van een fundamenteel onbegrip van zowel de poëzie als haar mogelijke plek in het straatbeeld. Niemand blijft bijvoorbeeld vijf minuten op de Frankrijklei staan om een gedicht van Bart Moeyaert te lezen terwijl auto’s hem de broek van de benen rijden. Beeldende kunstenaars geven al jaren blijk van inzicht in de problematiek van ‘poëzie’ in de openbare ruimte. Al in de jaren 1980 plakte Jenny Holzer A4-tjes met Truisms op lantaarnpalen in Soho en liet ze boodschappen over een gigantisch LED-scherm op Times Square flitsen. In de jaren tachtig ontwikkelde Barbara Kruger een taal die met gerecupereerd beeldmateriaal kon worden gecombineerd. Het is een praktijk die teruggaat op werk van John Baldessari, Bruce Nauman en natuurlijk Magritte. Het lijkt de enige manier om poëzie in de publieke ruimte te tonen. Korte, enigmatische, anonieme teksten. Teksten die je in een oogopslag raken. Wegwijzers, billboards, graffiti, posters. Dat is de poëzie die de stad nodig heeft, geen melige kwatrijnen. Alleen ondergaat de poëzie daardoor fundamentele veranderingen.
Tegenover de toegenomen populariteit van poëzie staat een afgenomen kennis, vooral dan wat de diversiteit, de geschiedenis en de ontwikkeling van het genre betreft. Het zou moeten worden onderzocht, maar het beeld dat bij het grote publiek van poëzie bestaat, reikt waarschijnlijk niet verder dan de stereotypie: rijm, bidprentjes, zieleroerselen, candlelight, pointes, gezwollen retoriek, gemummel, zoiets. Dat is nu eenmaal het gevaar van een hegemonisch verhaal: de massa accepteert probleemloos een particulier, beperkt, historisch bepaald, simplistisch beeld als algemeen geldig. Dat de moderne Vlaamse poëzie veel meer en vaak intrigerendere dichters telt dan Lanoye, Nasr, De Coninck en Moeyaert kunt u op bijna elke pagina van Hotel New Flandres vaststellen. Te beginnen bij het openingsgedicht ‘Bioscoop’. Uit 1945. Geschreven door een vrouw, de volstrekt onbekende Christine de Hondt.

Zelfs als we dat hadden gewild, was het gewoon onmogelijk geweest een representatieve bloemlezing te maken. Wat is immers representativiteit? Eén gedicht opnemen van alle Vlamingen die na 1945 minstens een bundel hebben gepubliceerd? Uit elke bundel met de ogen dicht één gedicht kiezen, zonder ons te laten leiden door een ‘kwaliteitsoordeel’. Maar representeert dat ene gedicht dan wel de mogelijke diversiteit aan stijlen, thema’s, problematieken en benaderingen die in die bundel te vinden is? Waarom zou de ene selectie het oeuvre van Leonard Nolens beter representeren dan de andere? Is representatie dan louter een kwalitatief-ideologisch gegeven, waarbij vooral de gecanoniseerde poëzie vertegenwoordigd dient te zijn? Of moet je streven naar een weergave van het systeem, waarbij je machtsverhoudingen, invloed en positie van een oeuvre aangeeft? Welke criteria hanteer je bij je keuze en hoe expliciet maak je die? En wat is eigenlijk een oeuvre? En hoe kun je de verhoudingen tussen dichters representeren? Onmogelijke vragen. Of tenminste toch vragen die je onmogelijk in een bloemlezing kunt beantwoorden. Met lede ogen zagen we hoe de praktijk van het bloemlezen ons de contingentie van het bloemlezen opdrong. Door te kiezen knutselden we aan onze eigen versie van het poëtische systeem. Representatie legt altijd de duimen voor constructie. Alsof we dat niet wisten.

In ieder geval bestaat een boek als Hotel New Flandres op dit moment niet. Nooit eerder werden van zoveel dichters gedichten uitgezocht en bijeengebracht. Nooit eerder waren die dichters van diverser signatuur. Nooit eerder werden zoveel verschillende varianten van het genre bijeen gebracht. Dit is dan ook een keuze uit de Vlaamse poëzie na 1945 die het landschap toont zoals we het aantroffen: rijk en divers, geestig en diepzinnig, intiem en tragisch, onbeholpen en flauw, amateuristisch, sophisticated, wild, houterig en subliem. Heterogeen, kortom, maar altijd verrassend.