The knights who say ‘nY’

De onontkoombaarheid van het nieuwe: HNF en nY

Over een tijdschrift dat zichzelf ‘overleefd heeft’ nog voordat het eerste nummer is verschenen

A knight who says 'nY' *** '& altijd is er wel een / die de poespas ensceneert'

Knight who says 'nY': 'altijd is er wel een / die de poespas ensceneert'

‘Van de kant van organisatoren, programmatoren en producenten is de jacht op “het nieuwe” (in zijn dubbele hoedanigheid van esthetische én economische categorie) vandaag zeer groot geworden,’ schreef Marianne Van Kerkhoven, dramaturge bij het Kaaitheater, tien jaar geleden in haar bijdrage aan een boek waarin de stand van zaken in de Vlaamse kunstencentra werd opgemaakt. ‘De markt dwingt hen tot een steeds scherpere inventiviteit, tot een voortdurende “renovatie”.’ (Van Kerkhoven, 1999:79).

Van Kerkhoven, en met haar vele anderen, hebben het moeilijk met het nieuwe. Ze schuiven (de dwang tot) vernieuwing graag af op de markteconomie en vergeten daarbij al te graag dat de cultuur fundamenteel tot deze economie behoort. Het dictaat van het nieuwe blijkt echter niet door de markt ingegeven, maar door de kunst zelf. De visie op vernieuwing die Van Kerkhoven hanteert is problematisch, al was het maar omdat ze voortspruit uit een stereotiep modernistisch beeld van het nieuwe als het modieuze, het vluchtige, als datgene wat Gilles Lipovetsky het ‘efemere’ noemt: ‘a multiplicity of micronovelties and marginal variations (…) repetitious modernist academism an the immobility of pseudo-differences’ (Lipovetsky, 1994:232). Het nieuwe als imitatie van het nieuwe, bijna als zijn eigen simulacrum.

Blijkens een posting op zijn blog (‘Oud & Nieuw‘) heeft ook Marc Reugebrink moeilijkheden met de categorie van het nieuwe of met ‘vernieuwing’ als criterium voor de ontwikkeling van de poëzie, zoals het in stelling werd gebracht voor de constructie van HNF.

Reugebrink heeft het over ‘de retoriek van de vernieuwing’, waardoor de indruk ontstaat dat het hier om een oppervlakteverschijnsel van de cultuur gaat en niet om, bijvoorbeeld, een cultuurhistorische wetmatigheid die weliswaar doorbrak met de moderniteit, maar waar sindsdien geen ontkomen aan is. Ook voor Reugebrink niet. Net als ieder van ons zit hij gevangen in de paradoxen van het nieuwe. Dat blijkt glashelder uit alvast dit ene zinnetje: “Wie vernieuwing als criterium hanteert (dus maar blijft vasthouden aan de ‘traditie van de breuk’ — een volgens mij overleefd idee) komt vanzelf uit bij de constatering die de samenstellers ook doen”.

Is niet uitgerekend de uitspraak ‘een volgens mij overleefd idee’ een voorbeeld van deze ‘traditie van de breuk’, van een geloof in het nieuwe, met andere woorden? Als het nieuwe dood is, is datgene wat na het nieuwe komt, omdat het na het nieuwe komt, niet noodzakelijkerwijs… iets nieuws, het nieuwe zelf?

Ronduit aanbevelenswaardig in dit opzicht is het boek Über das Neue. Versuch einer Kulturökonomie van filosoof en kunstwetenschapper Boris Groys. Als het nieuwe inderdaad zo hopeloos verouderd is, zegt die, dan zou het toch perfect een onderzoeksobject van het postmoderne denken kunnen zijn, dat bekend staat om zijn nogal gerichte belangstelling voor het oude en verouderde. Als bovendien het nieuwe afgeschaft is, of zichzelf overleefd heeft, als de dwang van het nieuwe in de postmoderniteit overwonnen is, dan lijkt het alsof we in een tijd leven die zonder het nieuwe verder kan. Leven en cultuur worden dan geregeerd door datgene wat altijd al bestaan heeft. Maar daar hoort dan toch ook het nieuwe bij? ‘Dann bedeutet dies unter anderen, dass auch das individuelle Streben nach dem Neuen, die soziale Orientierung an Neuem und das ständige Produzieren von Neuem weiterbestehen werden,’ zegt Groys. In zijn boek noemt hij het nieuwe een van de basisregels die onze cultuur bepalen én een van de wetten van de postmoderniteit: ‘Die Produktion des Neuen is die Forderung, der sich jeder unterwerfen muss, um in der Kultur die Anerkennung zu finden, die er anstrebt – andernfalls wäre es sinnlos, sich mit den Angelegenheiten der Kultur auseinanderzusetzen. Das Streben nach dem Neuen um des Neuen willen ist ein Gesetz, das auch in der Postmoderne gilt, nachdem alle Hoffnungen auf die neue Offenbarung des Verborgenen und auf den zielgerichteten Progress verabschiedet worden sind.’ (Groys, 1999:11-12)

Ironisch is wel dat Marc Reugebrink zijn visie op het nieuwe als ‘overleefd idee’ oprakelt in een stuk over het fusietijdschrift nY. In een aantal Scandinavische talen zou de titel van dat blad ‘nieuw’ betekenen, aldus de berichtgeving. Associaties met ‘Nueva York’ en de NYSE zijn ook niet ver weg. Reugebrink mag zich dus redactiesecretaris noemen van een tijdschrift dat zichzelf overleefd heeft, nog voordat het eerste nummer in de rekken ligt. Alsnog een wat belegen, postmoderne geste? Of veeleer een blinde vlek? Net als alle cultuurproducenten hebben de knights who say ‘nY’ zich onderworpen aan de dwang van het nieuwe. Door hun nieuwe blad nY te noemen, hebben ze zich ontpopt tot ‘keepers of the sacred word nY‘. Wie in de kunsten erkenning, respect, legitimiteit, belangstelling en de hele poespas wil afdwingen, moet zich nu eenmaal aan de wet van het nieuwe onderwerpen. Of zoals Dirk van Bastelaere schreef: ‘& altijd is er wel een die de poespas ensceneert’. Met nY is het bewijs nog maar eens geleverd dat het nieuwe een echte bitch is, een slet die je pakt waar je bij staat, wat haar redactiesecretaris naar aanleiding van HNF ook moge beweren.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s